Collectieve oplossingen, zoals warmtenetten, bieden veel kansen om de komende jaren gebouwen en woningen op een efficiënte en betaalbare manier duurzaam te gaan verwarmen. Bovendien vragen ze minder stroom dan individuele oplossingen, zoals warmtepompen, en zijn ze dus ook noodzakelijk om het elektriciteitsnet niet nog zwaarder te belasten. De dichtbevolkte regio Rotterdam Den Haag heeft meer dan voldoende bronnen in huis als basis voor warmtenetten. Bijvoorbeeld restwarmte van de industrie, geothermie (aardwarmte) en aquathermie (warmte uit water). Maar in de ontwikkeling van de warmtenetten ontbreekt het nog aan de laatste cruciale stap, zegt Ralph Savelberg, regionaal programmamanager voor zowel de RES als het Nationaal Programma Lokale warmtetransitie (NPLW). ‘Daarvoor is financiële steun van het nieuwe kabinet onmisbaar.’
Subregionale clusters hebben logische samenhang
De warmtetransitie blijkt voor individuele gemeenten en bestuurders erg complex en bovendien zijn warmtebronnen vaak bovenlokaal: ze houden zich niet aan gemeentegrenzen. Regionaal samenwerken is dus een no-brainer, vindt Ralph. Samen met Jozefien van der Meer-Robertz, programmasecretaris RES Rotterdam Den Haag en collega in het warmteteam, maakte hij zich de afgelopen periode sterk voor het vormen van ‘warmteclusters’: groepen van gemeenten rond een warmtenet of warmtebron, die met elkaar aan de slag gaan om collectieve warmtenetten verder te ontwikkelen en te realiseren. ‘Intussen hebben zich vijf clusters gevormd’, vertelt Ralph. ‘Denk bijvoorbeeld aan de gemeenten rond de kassen in het Westland. Of Vlaardingen en Schiedam, die met Rotterdam om de tafel gaan. In de clusters kijken bestuurders samen hoe zij een bovenlokale warmtebron optimaal kunnen benutten via een warmtenet in hun deel van de regio.’
Ralph is trots dat regio Rotterdam Den Haag de clusters voor elkaar heeft gekregen, onder andere ook met behulp van bestuurlijk thematrekker Maaike Zwart, wethouder in Delft. ‘We hebben alle betrokken wethouders uit de eenentwintig gemeenten binnen onze regio bij elkaar gebracht en zijn, met de kaart op de vloer, met elkaar in gesprek gegaan. Zo hebben zich de clusters gevormd, vanuit een logische samenhang. De schaal van de gemeente is te klein om een duurzaam collectief warmtenet op te zetten, maar de hele regio is weer te groot. Een subregionaal cluster is juist groot genoeg om volume te hebben en afspraken te kunnen maken en klein genoeg om gedeelde belangen te hebben.’ Via warmteateliers presenteerden de clusters zich aan elkaar. ‘Dat vonden we belangrijk’, zegt Ralph, ‘want ook de clusters zijn natuurlijk weer met elkaar verbonden.’
Warmtebod
De clusters hebben hard gewerkt om een warmtebod op te stellen. ‘Daarin staat hoeveel woningequivalenten (de hoeveelheid energie die nodig is om een gemiddelde woning te verwarmen) zij in de toekomst van plan zijn op een warmtenet aan te sluiten, en hoeveel geld daar per cluster voor nodig is’, aldus Ralph. ‘Want het doel is uiteraard dat de duurzame warmte betaalbaar is voor de inwoners.’ Deze ‘warmtebiedingen’ per cluster waren belangrijke input voor het ‘Toekomstbeeld regionaal warmtesysteem Rotterdam – Den Haag’, dat handvatten biedt voor de uitvoering. Bovendien doet Rotterdam Den Haag mee aan de Warmte Alliantie: ruim 200 gemeenten, koepelorganisaties en warmtebedrijven, die een gezamenlijk Warmtebod hebben opgesteld om de stagnerende ontwikkeling van warmtenetten in Nederland te doorbreken.
WarmtelinQ: vraag en aanbod bij elkaar brengen
Om de warmte op de juiste plek te krijgen, is een regionaal transportsysteem nodig. ‘Daarin speelt WarmtelinQ een belangrijke rol’, zegt Ralph. ‘Een grote ondergrondse leiding, die Gasunie aanlegt om met warmte uit de Rotterdamse haven woningen en bedrijven in Zuid-Holland duurzaam te kunnen verwarmen. Dit project is, vanwege de maatschappelijk relevantie ervan, onderdeel van het nationaal Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (nMIEK).’ WarmtelinQ ligt er al voor een deel, maar wordt de komende jaren verder uitgebreid. Ralph: ‘Daarvoor is het ook belangrijk dat wij via de clusters in kaart brengen hoeveel duurzame warmte wij nodig hebben, en hoeveel van de warmte uit de haven we kunnen gebruiken. Zo proberen we vraag naar en aanbod van warmte bij elkaar te brengen.’
Maatwerk per cluster en per gemeente
De vorming van de clusters is voor de regio een grote stap op weg naar het daadwerkelijk realiseren van warmtenetten in de regio, benadrukt Ralph. Maar er moeten ook nog veel vervolgstappen worden gezet. ‘Er ontbreken nog de nodige puzzelstukjes’, zegt hij. ‘Na de gemeenteraadsverkiezingen in maart gaan we met de nieuwe colleges kijken naar concrete uitvoering van de warmteplannen per cluster. We gaan investeringsbesluiten voorbereiden voor de raden en colleges van de betrokken gemeenten. De route daarnaartoe verschilt per cluster en per gemeente. Dat is dus echt maatwerk.’ Andere puzzelstukken zijn het inrichten van publieke warmtebedrijven, het verduurzamen van bestaande warmtenetten én het in kaart brengen van de gevolgen van de warmtetransitie voor het elektriciteitsnet. ‘We hebben natuurlijk ook met netcongestie te maken’, zegt Ralph. ‘Hoe maken we bijvoorbeeld voldoende duidelijk dat warmtenetten een hoge maatschappelijke relevantie hebben en juist kunnen bijdragen aan het ontlasten van het stroomnet?’
Rijk nodig voor betaalbare warmtenetten
Een groot thema in de verdere ontwikkeling van warmtenetten is de betaalbaarheid ervan, zegt Ralph. ‘We gaan nu met de betrokken wethouders verder werken aan de clusteraanpak, waarbij vooropstaat dat de duurzame warmte betaalbaar moet zijn voor de inwoners. In veel gemeenten speelt energiearmoede. Hoe zorgen we dat de warmtetransitie kan bijdragen aan het verminderen daarvan?’ Als het gaat om de financiën kijkt Ralph ook naar het Rijk. ‘We moeten op alle niveaus samenwerken: lokaal, in de clusters, regionaal, provinciaal en nationaal. We zijn blij dat het nieuwe kabinet het belang van collectieve warmte inziet. Ons doel is om met het Rijk wederkerige afspraken te maken: wat leveren wij, en wat levert het kabinet. Want zonder financiële impuls van het Rijk komt de warmtetransitie stil te staan. Met de toenemende netcongestie en onze afhankelijkheid van buitenlandse energiebronnen in het achterhoofd kunnen we ons dat niet permitteren.’
Regionale programmamanagers spelen een cruciale rol in het versnellen van de warmtetransitie, ervaart Ralph. ‘Ik ben zelf professioneel eigenwijs en nieuwsgierig’, lacht hij. ‘Dat helpt om zaken voor elkaar te krijgen. En om de dingen soms minder ingewikkeld te maken dan ze zijn. Je moet goed kunnen laveren tussen het lokale, regionale en nationale niveau. En je hebt ondernemerschap nodig, omdat je soms van niets iets moet maken. Je moet er zelf in geloven én maatjes zoeken. De warmtetransitie lukt alleen als we samen de schouders eronder zetten.’ En we hebben geen keus, voegt hij toe. ‘Het móet lukken om collectieve warmtenetten uit te rollen, want we hebben niet voldoende elektriciteit voor individuele oplossingen. Mislukken is geen optie. Er is geen plan B voor warmte. Houd de samenwerking dus vast en besef dat je elkaar nodig hebt. Lokaal, regionaal en op nationaal niveau!’
Meer informatie
Contactpersonen
- Ralph Savelberg, programmamanager NPLW en RES-regio Rotterdam Den Haag, e-mail
- Jozefien van der Meer-Robertz, beleidsadviseur en programmasecretaris RES Rotterdam Den Haag, e-mail